In mei 2026 gingen wij, Anoek Nuyens en Rebekka de Wit een week naar Knockvologan. Voor ons gezelschap Bureau Vergezicht. Het had allemaal weinig bedoeling, we hadden het op zeker moment beslist. Anoek ontmoette Miek op een festival, toevallig, liet later toevallig in een vergadering vallen dat ze misschien wel eens naar Knockvologan wilde, mailde haar toevallig heel laat, precies op het moment dat er toevallig iemand had afgezegd voor de residentie. Later vertelde Miek ons dat ze meestal een half jaar heen en weer mailt met mensen die naar de residentie komen, zodat ze goed voorbereid zijn op de omstandigheden waar ze in terecht komen. 

De omstandigheden waren de zee, de wind, weinig mensen, en weinig winkels. 

We stonden in de zee, met Miek, met waadpakken aan, te kijken naar de wieren in het water. De wieren hadden haar veranderd, vertelde ze, wat we, toen we eenmaal wat tijd hadden doorgebracht met deze wezens, meteen begrepen. 

Wezens is het woord wat Miek gebruikte om over deze levensvormen te schrijven, en omdat haar taal een gevolg is van heel goed opletten, een gevolg van veel tijd doorbrengen bij deze wezens, leek het ons gepast om haar woorden te gebruiken.

We moesten wat dingen afmaken, dingen die ontstonden in een andere tijdzone. Anoek maakte het boek af waar ze al een tijd mee bezig was: een boekuitgave van de voorstelling Beste Mensen die we met Bureau Vergezicht maakten. Marjan Minnesma overleed tijdens ons verblijf. Ergens in een groen geultje, tussen twee rotsheuvels waar een oude eikenboom leeft en sterft tegelijk, waar nieuwe bomen op leven en mos dat daar al generaties lang leefde, hadden we een monumentje voor haar gemaakt. 

Via de ogen van Miek en Rutger mochten wij mee wandelen en waden in het landschap en in de zee, waar zij zo’n grote intimiteit mee voelen. Deze manier van mee mogen kijken, van buiten zijn, zoals Miek het noemt, heeft het concept voor onze volgende voorstelling helemaal omgegooid.
Die voorstelling speelt in Naturalis en heeft de biodiversiteitscrisis als onderwerp. En hoewel we die voorstelling op papier nog beschreven als een ode aan de natuur, hebben we door de gesprekken met Miek en Rutger, en door met hen in het landschap te zijn de opdracht van de voorstelling verplaatst. Van een ode aan de natuur willen we nu een antwoord vinden om de vraag hoe we als mensen in ons ecosysteem kunnen functioneren, in plaats van daarbuiten. Dat vraagt in de eerste plaats een rekenschap van het feit dat mensen al duizenden jaren lang in het ecosysteem hebben geleefd en dat ook hebben vormgegeven. Natuur en mens scheiden, als begrippenpaar, maar dus bijgevolg ook in de manier waarop we denken over onze plek op deze planeet, werkt contraproductief als we een antwoord willen vinden op de vraag hoe we in ons ecosysteem gaan functioneren. 

Misschien zijn alle crisissen van dit moment, van de stikstofcrisis tot de klimaatcrisis wel terug te voeren op die kapitale fout. Dat we buiten ons ecosysteem zijn gaan leven.  

Zonder Miek en Rutger, die door hun manier van in en met het landschap te leven, hadden wij nooit zo dichtbij het landschap kunnen komen. Zij maakten ons deelgenoot van het landschap en waren wij er veel dichterbij dan wanneer we alleen waren gegaan. 

In die zin is het dus ook vreemd dat begrippen als natuur en cultuur zo gescheiden zijn, want door even in hun microcultuur te leven, begrepen we dat je cultuur nodig hebt, voorouders als het ware, om deelgenoot te worden van die intimiteit. 

Het heeft eigenlijk alles veranderd, om daar te zijn. We zeiden tegen elkaar: als het huidige kunstenplan gaat over de klimaatcrisis, dan moet het volgende plan gaan over the living world. (Bij gebrek aan een beter woord gebruikten we het begrip dat denkers als Naomi Klein en George Monbiot gebruiken om het over “de natuur” te hebben. Nieuwe woorden die gaan over “de levende wereld”, versus de levenloze. Het nieuwe boek van Naomi Klein heet ‘endtime fascism, and the fight for the living world.) 

Vlak voor we weggingen kregen we een envelop van Miek en Rutger met de vraag of we dit op de post wilden doen in Nederland, omdat iets posten een gedoe is vanaf deze plek. Het was een envelop voor een activistische boswachter in Sittard. De envelop was duidelijk met veel zorg samengesteld. Ze begonnen te vertellen over die boswachter, over het werk dat hij deed in de jaren zeventig, tachtig en negentig en dat hij inmiddels moe en moedeloos gestreden was. 

We opperden dat we de envelop misschien zelf bij hem moesten langs brengen, dat het misschien goed was als we elkaar zouden ontmoeten. 

‘Dan zou het helemaal feest zijn!’ riep Miek uit. 

Die envelop was misschien wel de meest treffende metafoor voor wat er is gebeurd tijdens ons verblijf in Knockvologan. Alsof we met een zorgvuldige opdracht naar huis zijn gegaan, maar nog niet precies weten wat er in de envelop zit. Het is iets belangrijks. Zoveel is zeker.